Deze introductie vertelt je wat je moet weten om te beginnen met Woordenaars.

De basis: hoe werkt Woordenaars?

De aanpak van Woordenaars is gebaseerd op de bewezen effectieve aanpak van Word Generation. De aanpak is licht aangepast, de inhoud is opnieuw ontworpen, zodat het passend is voor het Nederlandse onderwijs.

Het programma is bedoeld voor leerlingen in klas 1 vmbo-tl / havo / vwo.

Elke week behandelen de leerlingen in 4×15 minuten één prikkelend thema. In de eerste les lezen de leerlingen met hun docent Nederlands een tekst over het onderwerp en leren ze vijf nieuwe begrippen. Het onderwerp en de vijf begrippen komen terug in een ‘ontdekles’ (na een voorbereiding thuis), met de leraar van het bijbehorende vak (bijvoorbeeld geschiedenis en wiskunde in serie 1 en 2). Daarna gaan de leerlingen over het thema in gesprek/debat, in de les Nederlands. Op de laatste dag verwoorden zij hun standpunt over het thema op papier. En ook in deze twee laatste taallessen worden de vijf begrippen gebruikt.

Een les is het geheel van vier lesmomenten in een vaste volgorde. Elke serie bestaat uit zes lessen (thema’s), gekoppeld aan een bepaald vak: een serie geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, biologie (ak en bio zijn er vanaf januari 2022). Het tweede lesmoment, de ‘ontdekles’ hoort bij de vakdocent, daarmee wordt dus gedoeld op de docent geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, biologie. De andere lessen horen bij de taaldocent, de docent Nederlands.

In deze handleiding gaan we uit van de aanpak en begrippen zoals hierboven beschreven. Dit is de standaard; natuurlijk kun je uitbreiden of variëren.

Plannen

Aanwijzingen, vragen en een planner om Woordenaars goed in te plannen:

  • De standaard gaat uit van 4×15 minuten en 1x voorbereiding door de leerlingen thuis (voor de ontdekles).
  • Er zullen in totaal 4 series van 6 lessen zijn, dus 24 lessen. Een schooljaar heeft 40 weken. Daar zit dus al ruimte!
  • De les bestaat uit vier lesmomenten met een vaste volgorde voor een compleet leerproces: 1) lees + begrippen, 2) ontdek, 3) spreek, 4) schrijf.
  • Als je meer ruimte nodig hebt: schrap een hele les, maar geen lesmomenten!
  • De lessen binnen de serie hebben geen vaste volgorde.
  • Als het gaat om de volgorde van lessen binnen een serie: overleg met de vakdocent. Bijvoorbeeld: in les 2.3 (serie wiskunde) berekenen de leerlingen oppervlaktes. Dan moeten ze dat al wel geleerd hebben.
  • Stem met de vakdocent af hoe leerlingen aan de slag gaan met de opdrachten van de ontdekles. Is dit huiswerk? Wat moeten ze precies doen? Wie geeft het op? Wordt het genoteerd in SOM/Magister?
  • Is er geen samenwerking met de vakdocent mogelijk? Dat is jammer, want dan ontbreekt de transfer van kennis en vaardigheden naar een ander vak. Maar het maakt de ontdekles niet onmogelijk. De opdrachten zijn niet al te moeilijk en je kunt ook een deel ervan behandelen in de les Nederlands.

Vragen

  1. Werk je volgens de standaard aanpak of niet? Wat wordt anders?
  2. Hoe combineer je Woordenaars met de vaste lesmethode Nederlands? (Woordenaars is géén compleet lesprogramma voor het vak Nederlands.)
  3. Gaat het lukken in 4×15 minuten? Wat doe je als dat niet past?
  4. Doe je alle thema’s in de serie? Welke niet? (Bekijk de lessen globaal om dit te bepalen.)
  5. Wat heb je nodig? Doe je de lessen digitaal of op papier? Zie paragraaf hieronder.
  6. Wat heb jij zelf nog nodig als voorbereiding? Tip: kijk even bij de Handige extra’s.
  7. Wat spreek je met de vakdocent af over de ontdekles en het huiswerk?
  8. Is er tussentijds overleg nodig? Op welke manier gebeurt dat?
  9. Wat wordt de planning? Zie planner hieronder (voor het eerste halfjaar van 2021/2022).

Wat heb je nodig tijdens de les?

Alle lessen staan online. Van elke les is een webversie te vinden en een pdf-versie, mooi vormgegeven, geschikt om te printen. Bepaal op welke manier jij leerlingen het lesmateriaal aanbiedt. Let op: alleen de les op het digibord zetten zal voor veel leerlingen niet werken – dat doe je met een lesboek ook niet. Leerlingen moeten het materiaal voor zich zien. De lessen zijn het mooist op papier, als boekjes waarin de leerlingen zelf mogen schrijven.

Werk je op jouw school met tablets en print je liever niet te veel? Dan kun je ook digitaal werken, in webversie of pdf (pdf-versie werkt waarschijnlijk ook digitaal het fijnst, door de vormgeving kan de docent makkelijker naar onderdelen verwijzen). Het staat je vrij om de lessen als pdf of met linkjes klaar te zetten in je eigen ELO, per mail te versturen, etc. Doe dat aan het begin van een serie, niet aan het begin van een heel jaar: het materiaal wordt tussentijds verbeterd als er foutjes zijn opgemerkt (melden kan hier).

Leerlingen maken notities en opdrachten. Dat kan in het lesmateriaal als je de Woordenaars-lessen print. Gebruik je de lessen digitaal? Laat leerlingen dan in een schrift notities en opdrachten maken. Schrijven beklijft beter dan typen en dan hoeven ze niet te schakelen tussen een leesscherm en typescherm.

Bij (het huiswerk van) de ontdeklessen wiskunde zijn ook de hulpmiddelen van wiskunde nodig: een rekenmachine en roosterpapier.

Veilig spreken over controversiële onderwerpen

Je gaat in de klas controversiële onderwerpen bespreken. Sommige leerlingen vinden spreken op zichzelf al erg spannend. Het kan goed zijn om met de klas de richtlijnen te formuleren, bijvoorbeeld in de vorm van do’s en don’ts. Hier zijn ook wat kant-en-klare suggesties in de wij-vorm:

  1. We luisteren naar elkaar. We praten niet door elkaar: één persoon spreekt.
  2. We hebben respect voor de mening van een ander. We lachen er niet om en we beledigen elkaar niet, maar luisteren en praten over de inhoud. Als we elkaar niet begrijpen, vragen we om uitleg.
  3. We leren verwoorden wat we weten en vinden. Dat is soms moeilijk en spannend. We steunen elkaar door rustig te luisteren en op de inhoud te reageren. We maken elkaar niet belachelijk.

Sta stil bij je rol als leraar: een gespreksleider die ervoor zorgt dat iedereen aan bod komt en dat iedereen de ruimte heeft om ideeën uit te spreken en te onderbouwen, om vragen te stellen en te reageren. Speel advocaat van de duivel als er (te) snel consensus is, stel dan kritische vragen om de leerlingen op weg te helpen. Grijp in met een time-out als de discussie te verhit wordt en benoem het wanneer de discussie niet meer ter zake is of als er twijfelachtige informatie en meningen als feitelijk gepresenteerd worden. Corrigeer evident foute informatie, maar houd het beknopt en zakelijk. Grijp overigens niet te snel in, het doel is dat leerlingen zulke dingen zelf herkennen en scherp krijgen door te spiegelen, door te vragen en kritische vragen te stellen – maar help ze wel door dat voor te doen en accepteer niet dat foute informatie over gevoelige onderwerpen blijft rondzingen. Bij zo’n correctie: blijf bij de inhoud en maak het niet persoonlijk. Laat geen ‘correct standpunt’ doorschemeren: dan doorbreek je de veilige, open sfeer waarin elk standpunt mogelijk is. Zie je dat een leerling een te heftig moment in de klas beleeft? Bespreek dit dan nog persoonlijk met de leerling.

Lees hier meer over controversiële onderwerpen in de klas, een Vlaamse uitgave, een goede wegwijzer voor wie meer wil weten over dit onderwerp.

Aanwijzingen per onderdeel

Let op: LEES + BEGRIPPEN zijn samen één lesmoment. Dit kan krap zijn. Laat zijpaden links liggen en hanteer een vaste aanpak bij de begrippen om het kort te houden.

Bij elke serie zijn aanvullende aanwijzingen: serie 1, geschiedenis; serie 2, wiskunde.

LEES

Introduceer het onderwerp en de hoofdvraag en laat leerlingen hier al kort over nadenken (waar gaat het over? wat denk jij hierover?). Benoem dat je in elke les informatie van verschillende kanten over deze kwestie verzamelt en dat het daarom belangrijk is om bij elk lesmoment actief mee te doen. Lees de tekst voor of laat leerlingen voorlezen als ze dat vloeiend, vlot en op toon kunnen. Dit is belangrijk: het doel is informatie verwerken en hierover nadenken op basis van een tekst, daarom moet het lezen van de tekst correct en vlot gaan. Alle leerlingen lezen mee en markeren of maken notities. Tijdens het lezen, bijvoorbeeld na een alinea, neem je de ruimte voor kort hardop nadenken over de tekst (modeling). Wat hebben we nu eigenlijk gelezen? Welke denkstappen zien we hier? Geef daarbij eventueel suggesties voor het markeren.

BEGRIPPEN

De nieuwe begrippen benoem je expliciet en met voorbeeldzinnen en vragen. Te vaak denken we dat leerlingen nieuwe begrippen wel vanzelf oppikken of voldoende leren met een letterlijke definitie. Bij Woordenaars is het expliciet aanleren, gebruiken en herhalen van de begrippen nu juist de truc. Het lesmoment gaat als volgt:

  1. Benoem het woord hardop en laat leerlingen het woord herhalen. Doe dit bij zelfstandig naamwoorden mét lidwoord. Gebruik eventueel de lesdia’s (Handige extra’s).
  2. Lees hardop de definitie en de voorbeeldzin. Kijk eventueel terug naar de zin uit de leestekst waarin dit woord ook gebruikt is. Is de betekenis op basis hiervan voldoende duidelijk?
    De voorbeeldzin gaat ook altijd nog over het onderwerp van de les. Als je merkt dat leerlingen moeite hebben met een begrip, kun je zelf een zin buiten deze context aanbieden.
  3. Lees de vraag en laat leerlingen antwoorden. De vraag past ook weer binnen de context van de les en stimuleert dus ook het denken over het onderwerp. Maak er nu nog geen discussie van. Laat alle leerlingen even nadenken en wijs na korte denktijd een of twee leerlingen aan voor een antwoord.
  4. Stimuleer bij het beantwoorden van die vraag:
    1) dat leerlingen het nieuwe begrip zelf ook gebruiken. De makkelijkste manier is leerlingen leren de vraag te herhalen in hun antwoord, een handigheidje dat waardevol is bij veel vakken: het helpt je om goede zinnen te formuleren die ook echt antwoord geven op de vraag.
    2) dat leerlingen hun antwoord (kort) onderbouwen. Vraag door als er geen onderbouwing is: ‘Waarom / op basis waarvan denk je dat? / Hoe weet je dat?’ En let op: vraag de leerling daarna om een nieuwe zin te maken met die onderbouwing erbij: ‘Kun je dat antwoord toevoegen aan aan je eerste antwoord, zodat het één lange zin is?’
  5. Stimuleer na dit lesmoment het gebruik van de nieuwe begrippen, waar het maar kan. Geef complimenten wanneer de woorden gebruikt worden en maak er daarna een kort leermoment van als het woord nog net niet goed gebruikt wordt (‘Het woord past hier, maar ik zou het zo zeggen: …’). Geef de woorden steeds weer een plek in de les. Dat kan ook weer met de lesdia’s (eventueel een print ervan). Daar is ook een woordenlijst te vinden die je met collega’s kunt delen. Misschien kunnen collega’s in andere vakken meedoen met het gebruiken van de nieuwe woorden? Het gaat immers om schooltaal, veel begrippen komen in alle vakken voorbij (suggereren, alternatief, aanzienlijk, contrast).
ONTDEK

De ontdekles bestaat uit een korte tekst met de vijf begrippen, een ontdekvraag / een of twee opgaven, en in de serie geschiedenis is er ook: ‘ontdek meer!’. Het idee is dat de ontdekles thuis wordt voorbereid door de leerlingen en in de les met de vakdocent wordt besproken. Hier is voor gekozen omdat het anders te veel tijd van de vakdocent zou vragen en dan zou het ook niet meer in één week passen. Scholen/docenten die zonder huiswerk werken, kunnen deze voorbereiding wel in een les doen, dan heb je dus een extra lesmoment nodig met taaldocent óf vakdocent: samen de tekst lezen, leerlingen zelfstandig aan de vragen laten werken. De inhoudelijke bespreking blijft bij de vakdocent.

De ontdekles heeft altijd een korte tekst met de vijf nieuwe begrippen. Soms is die tekst noodzakelijk voor de opgave, soms niet echt, maar de tekst is altijd noodzakelijk voor het totale leerproces. Er worden weer nieuwe denkstappen en argumenten geboden en de begrippen komen weer in nieuwe zinnen voorbij.

Het is belangrijk dat de vakdocent vooraf een keuze maakt: welke opgaven moet de leerling voorbereiden? In de serie geschiedenis is ‘ontdek meer’ bedoeld voor verdieping of differentiatie, maar het kan ook zo zijn dat die vraag beter past bij de lessen en dat de eerste ontdekvraag wordt overgeslagen. In de serie wiskunde is een tweede opgave of een deelopdracht voor sommige leerlingen nog te moeilijk (niet behandelde stof). Dus wees duidelijk over wat er van de leerlingen verwacht wordt: dat ze de tekst lezen en dat ze vraag X of Y maken. Als je met SOM/Magister werkt voor huiswerk, noteer het daar dan ook.

Het lesmoment van de vakdocent bestaat uit deze stappen:

  1. Bespreek kort de vetgedrukte begrippen in de introductietekst: gebruiken we deze begrippen ook bij dit vak? Kun je ze tegenkomen in het lesboek en op een toets? Weet je dan wat er bedoeld wordt?
  2. Bespreek de opgave, houd het kort. Je inventariseert bij twee, drie leerlingen wat zij hebben gevonden; je geeft feedback. Bij een moeilijke vraag demonstreer je de denkstappen.
  3. Maak een expliciete terugkoppeling naar het vak. ‘Dit is een goed voorbeeld bij wat we eerder geleerd hebben, wie kan het herhalen?’ ‘Dit hebben we ook gezien in paragraaf …’ ‘Straks gaan we nog een stapje verder met…’
  4. Rond af met een expliciete koppeling naar het thema van Woordenaars: ‘Wat heb je nu geleerd over dit onderwerp?’ ‘Wat betekent dit voor jouw mening over het onderwerp?’ Moedig aan om de nieuwe begrippen te gebruiken.
SPREEK

De spreekopdrachten van Woordenaars variëren in opzet. Je komt de volgende opdrachten tegen:

  1. Een debat met drie of meer mogelijke standpunten, de leerling kiest zelf zijn/haar standpunt.
  2. Een debat, er is één stelling en je bent voor of tegen (leerling kiest nog wel zelf).
  3. Een socratisch gesprek, er zijn geen standpunten, de leerlingen stellen elkaar vragen en proberen samen antwoorden te vinden. Lees hier meer over de socratische methode in het onderwijs.
  4. Een groepsdebat, de klas wordt in groepjes ingedeeld en de groepjes krijgen een standpunt (leerlingen kiezen dus niet zelf!).

Je kunt de begrippen en hulpzinnen op het digibord zetten, zie lesdia’s (Handige extra’s). Het lesmoment ziet er dan als volgt uit:

  1. Herhaal het onderwerp en de vijf begrippen.
  2. Herhaal de richtlijnen voor gesprekken in de klas (zie hierboven ‘Veilig spreken’).
  3. Introduceer de opdracht, zeg duidelijk wat de leerling moet doen in de voorbereiding (standpunt kiezen en argumenten uit eerdere lessen kunnen noemen, behalve bij het socratisch gesprek) en geef ze daarvoor een paar minuten.
  4. Ga in debat (maximaal tien minuten).
  5. Geef een korte klassikale terugkoppeling. Formuleer je feedback positief en maak verbetersuggesties concreet (geef voorbeelden).

De leraar is gespreksleider en dat betekent dat je (liever) niet meepraat over de inhoud, maar de beurten verdeelt. Probeer zo veel mogelijk leerlingen het woord te geven en op elkaar te laten reageren. Maak het luisteren naar en reageren op elkaar belangrijk door daarin te sturen of feedback en tips te geven – de hulpzinnen zijn daar ook op gericht. Grijp alleen in als de discussie niet meer ter zake is of te verhit wordt.

Mogelijkheden in de aanpak:

  • Het hele klaslokaal inrichten voor 10 minuten debat, in een dubbele U-vorm of een kring met stoelen? Of is er een slimme inrichting mogelijk waarin je de les(dag) kunt vervolgen? Als leerlingen leren luid en duidelijk spreken (staan als je de beurt hebt) en goed luisteren, dan is het niet nodig om de klas steeds opnieuw in te richten. Aan de andere kant: het is wel leuk als het kan.
  • Simpele instructie die je altijd kunt hanteren bij spreekvaardigheid: wie iets wil zeggen, steekt zijn/haar hand op. De docent wijst aan wie er spreekt. Wie spreekt, gaat staan en weer zitten als hij/zij klaar is. Zo is ook duidelijk dat diegene uitgesproken is – en dat tot dat moment niemand anders iets zegt.
  • Zonder een heel strakke inrichting een volledig debat in 10 minuten: wijs voor elk standpunt 2 sprekers aan die openen, en laat leerlingen daarna op elkaar reageren. Let op: de docent bepaalt pas tijdens het debat wie er spreekt. Iedereen bereidt zich voor, iedereen kan aan de beurt komen, het zijn niet altijd dezelfde mensen die spreken.
  • Wijs dus ook wel eens mensen aan die niet hun hand opsteken. Bereid de klas erop voor dat je dat zult doen omdat je iedereen wilt horen. Dan weten ze dat ze dit altijd kunnen verwachten.
  • Zet leerlingen met spreekangst niet voor het blok. Leerlingen met een klein beetje spreekangst help je met een voorzetje (‘Wat is jouw mening? Sluit jij aan bij Joey of heb je een andere redenering?’) en juiste timing: niet direct aan het begin, maar kort daarna, en niet net na een retorisch megatalent. Leerlingen met veel spreekangst help je door er een keer persoonlijk aandacht aan te geven en af te spreken wat in kleine stapjes voor de leerling haalbaar is.
  • Gebruik het verdelen van de beurten nooit als straf. Maak er wel een punt van als leerlingen zich niet aan de discussierichtlijnen houden (dus: door elkaar praten, iemand uitlachen), maar doe dat tijdens het debat alleen met een kort signaal en bespreek het achteraf.
  • Een mogelijke variant, als je vindt dat een groepsdebat met 30 leerlingen onmogelijk is: deel de klas op in tweeën (een vaste verdeling). Laat slechts de halve klas discussiëren – de andere helft van de klas is publiek en geeft kort inhoudelijke feedback (‘Dit vond ik een goed argument…’) of een samenvatting achteraf. Iedereen neemt dan nog steeds deel aan de inhoudelijke uitwisseling. Bij een volgende Woordenaars-les worden deze rollen omgedraaid. In de praktijk levert dit interessante lessen op voor iedereen, het is zelfs best moeilijk om alleen te luisteren bij een boeiend debat…
  • Bouw langzaam op als je denkt dat leerlingen nog echt niet durven. Begin met alleen het verwoorden van standpunt + argument, nog niet op elkaar reageren. In de voorbereiding maken alle leerlingen een notitie, de uitvoering is dan: gaan staan en luid en duidelijk jouw standpunt + argument geven. In de volgende spreekles vraag je leerlingen om twee argumenten in gedachten te hebben en goed te luisteren, zodat ze kunnen reageren. Alleen stuur jij dit debat volledig door te spiegelen en beurten te geven: ‘Joey zegt dat… Wie heeft een ander argument voor ditzelfde standpunt?’ En daarna: ‘Wie heeft een andere mening?’ Leerlingen zien al snel dat ze dit best kunnen, dus laat de groep daarna snel vrijer met elkaar in debat gaan.
  • Is het voor jouw klas juist een beetje saai? Je kunt er ook voor kiezen om leerlingen iets vaker een standpunt op te leggen. Dat vinden ze in eerste instantie niet leuk, maar het vraagt iets meer van het abstract en analytisch denken en is dus erg leerzaam.
  • Een andere variant, als jouw klas het debatteren inmiddels wel kent en je niet bang bent voor een beetje drukte: deel de klas op in groepjes en laat ze zelf debatteren, gelijktijdig en zonder gespreksleider. Gebruik deze vorm echt alleen incidenteel, je kunt namelijk heel weinig feedback geven. Creëer wel een reflectiemoment door uit elk groepje één of twee leerlingen te bevragen: ‘Welk nieuw argument voor/tegen jouw standpunt heb je ontdekt?’ ‘Met welk standpunt was je het na afloop het minst eens en waarom?’
  • Bij Woordenaars wordt niet uitgegaan van competitieve debatten (het aanwijzen van een winnaar) en ook niet van vaste debatvormen (2 minuten spreker A, 2 minuten spreker B, reactie op A, etc…). Als je hier wel voorstander van bent, dan kun je zelf varianten kiezen.
  • Of kijk eens rond op de website van Schooldebatteren. Hier staan nog meer werkvormen voor het debatteren uitgelegd.
  • Heb je nog nooit gehoord van een socratisch gesprek? Houd het simpel, volg de opdracht. De kern is dat je begint met een vraag in plaats van een stelling; en dat je gezamenlijk antwoorden zoekt door door te vragen.
  • Wil je juist een stap verder gaan? Bekijk dan eens wat er mogelijk is met de ‘socratic circle‘.
SCHRIJF

De schrijfopdracht is de afronding van de Woordenaars-les. Na de eerdere lesmomenten verwoordt de leerling op papier wat hij/zij vindt van de kwestie, op basis van alles wat in eerdere lessen aan bod kwam. De docent herinnert vooraf weer even aan de nieuwe begrippen en er zijn hulpzinnen, die net als bij het spreken niet verplicht zijn.

In 15 minuten een schrijfopdracht? Het is een korte opdracht. Maak er ook niet meer van. Bekijk de schrijfruimte die in het lesmateriaal in pdf-vorm gegeven is: dit zou genoeg moeten zijn. In serie 1 en 2 gaat het erom je gedachten te uiten en te onderbouwen in goede zinnen; woorden op de juiste manier gebruiken, de nieuwe begrippen, verbindingen maken tussen de zinnen. In serie 3 en 4 zal het ook om de eenheid van alinea’s gaan.

Voor het ontwerpen van de schrijfopdrachten is naast Word Generation een andere aanpak van invloed geweest: de Writing Revolution, ofwel The Hochman Method – lees ook dit artikel in de Correspondent. Bij deze schrijfdidactiek (voor kinderen vanaf groep 3, maar ook voor voortgezet en hoger onderwijs) ligt de nadruk op het bouwen van zinnen en verbindingen en op geïntegreerde opdrachten, leren schrijven binnen de context van andere vakken en opdrachten. Te vaak wordt gedacht dat je schrijven ‘vanzelf’ leert door veel te lezen, praten en luisteren. The Hochman Method maakt het schrijven veel belangrijker. Woordenaars maakt het mogelijk dit ook te doen. Het enige wat je daarvoor moet doen, is: de schrijfopdracht nooit overslaan (ja, we weten allemaal dat dit wel gebeurt met de gewone lesmethodes). En feedback geven…

Feedback op de schrijfopdrachten: het doel van deze schrijfopdrachten en van alle Woordenaars-opdrachten is om je gedachten goed en logisch te verwoorden. Daar kunnen ze beter in worden dankzij jouw feedback. Ga niet met een rode stift alle spelfouten te lijf, dat is een ander doel dat je dan veel te belangrijk maakt. Maar hoe ga je feedback geven en hoe vaak? Een paar mogelijkheden:

  • Lees elke opdracht en markeer wat je opvalt. Bijvoorbeeld: geel voor een vreemde zin, oranje voor een begrip dat niet goed is gebruikt, groen voor goed gebruikte nieuwe begrippen, een vraagteken als de redenering onduidelijk of onlogisch is. Als je het werk aan de klas teruggeeft, proberen zij eerst zelf en met klasgenoten te bedenken hoe het beter had gekund, daarna vragen ze dit pas aan jou.
  • Gebruik feedbackformulieren. Er staan downloads klaar in de Handige extra’s. Het zijn Word-documenten die je zelf kunt aanpassen.
  • Laat leerlingen (regelmatig) zelf hun tekst teruglezen met een feedbackformulier of een andere aanpak.
  • Zet peer feedback in. De leerlingen geven elkaar feedback. Hiervoor kun je dezelfde feedbackformulieren gebruiken, of je kiest een eigen aanpak. In het begin is het even wennen, maar uiteindelijk is het ook in andere lessen erg nuttig als leerlingen hier bedreven in zijn.
  • Ietsje minder werklast voor de docent: lees wel alles na les 1, maar geef alleen feedback aan de hele klas. Geef bij les 2 wel persoonlijke feedback, en zo verder.
  • Ook minder werklast: deel de klas in tweeën of drieën. Deel 1 krijgt feedback bij les 1, deel 2 bij les 2, etc. De leerlingen maken wel altijd alle opdrachten, maar jij leest dus niet altijd alles. Combineer dit met peer feedback.
  • Je kunt ook met de leerlingen afspreken dat je op twee momenten feedback geeft (‘bij les 3 en les 6’) – en bij de andere lessen niet. Maar zou jij dan erg je best doen, als je leerling was? Een logischere keuze is dan: altijd peer feedback / zelf nakijken met formulier en de leerling weet niet precies wanneer de docent feedback geeft.

Bij elke schrijfopdracht is er een optie ‘Schrijf creatief!’. Bedenk wat je wilt doen met de extra optie. Mogen leerlingen deze opdracht kiezen in plaats van de andere opdracht? Zo ja, mogen ze dat dan ook altijd doen? Mogen ze afwisselen? Of wissel jij af, bepaal jij het en doen dan steeds alle leerlingen de ene of de andere opdracht? NB: Bij de creatieve opdrachten is het gebruik van de nieuwe begrippen wellicht niet altijd even logisch. Er zijn ook geen hulpzinnen. Laat zulke aanwijzingen los, maar geef leerlingen eventueel wel een aantal woorden of andere aanwijzingen die een steviger kader bieden. Ook op deze opdrachten kun je feedback geven met een formulier!

Toetsing?

Woordenaars is een aanpak waarbij leerlingen actief en formatief leren. Het is geen toetsvorm, geen teaching to the test, en Woordenaars biedt dus ook geen kant-en-klare toetsen.

Als je op school werkt met een (digitaal) portfolio of schrijfdossier, dan zouden de schrijfopdrachten van Woordenaars hierin wellicht een plek kunnen hebben. Als je opbouwt naar een summatieve schrijfopdracht, dus voor een cijfer, dan zijn de opdrachten geschikt oefenmateriaal, maar dan moet je nog wel een stap maken om duidelijk te maken waarop de leerlingen uiteindelijk beoordeeld wordt. Ook is het leren verbeteren van het schrijfwerk een belangrijke stap in het leren schrijven, dus dat moet ook meegenomen worden in de leerlijn en eindopdracht (is de eindopdracht een gereviseerde tekst of niet?).

Pas op dat je met een Woordenaars-schrijfopdracht voor een cijfer niet te veel focus op de schrijfopdracht legt, terwijl de andere onderdelen net zo belangrijk zijn. Voor de andere onderdelen geldt net zo goed dat de Woordenaars-lessen bedoeld zijn als vormen van formatief leren, leren door te doen, door te oefenen. Ook bij spreken zou je kunnen opbouwen naar een eindopdracht, als je duidelijke leerdoelen en stappen biedt. Maar de Woordenaars-lessen zijn niet die toetsmal, en dan geldt: feedback is waardevol, een cijfer niet. Lees hier meer over in het boek Toetsrevolutie (pdf gratis te downloaden).

Tot slot: hoe zit het dan met lezen, kunnen we lezen toetsen na een Woordenaars-serie? Moeten we dan niet meer structuurvragen stellen tijdens de Woordenaars-lessen? Wanneer je de leestekst leest met je leerlingen, dan kun je uiteraard aanwijzen wat duidelijk zichtbaar is in de tekst: ‘Hier zie ik een tegenstelling, er staat maar.’ Dat hoort bij het actieve lezen, maar de structuur is bij Woordenaars geen doel op zich. Het actief lezen, analyseren en redeneren dat nodig is voor een Woordenaars-les, het zelf verwoorden van nieuwe inzichten met nieuwe woorden, dát zijn de doelen. En door de ontwikkeling van die vaardigheden zullen leerlingen zeker beter gaan scoren op leestoetsen.

Geen reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *